Toespraken onthulling gedenkstenen
Algemeen
Burgemeester Erica van Lente onthulde op 28 mei 2026 in Zuidbroek en op 29 mei 2026 in Hoogezand 2 gedenkstenen op de locaties van voormalige synagogen. Met de stenen blijft de herinnering aan de Joodse gemeenschap in Midden-Groningen zichtbaar.
Toespraken
Toespraken
-
Uiterburen donderdag 28 mei 9.30 uur
Geachte aanwezigen,
fijn dat u hier vanmorgen samen bent gekomen om stil te staan bij de geschiedenis van deze plek.Wie hier langsrijdt, ziet waarschijnlijk vooral een weg, huizen en landschap.
Bijna niets herinnert er nog aan dat hier ooit een synagoge stond.
En juist daarom staan wij hier vandaag.
Omdat sommige geschiedenis zo gemakkelijk uit beeld verdwijnt.
De Joodse gemeenschap van Uiterburen, Noordbroek en Zuidbroek was niet groot in aantal.
Maar zij hoorde wel bij deze omgeving.
Bij het dagelijks leven van deze streek.Hier kwamen mensen samen voor gebed, ontmoeting en traditie.
Hier werden feestdagen gevierd.
Hier klonken verhalen, gesprekken en gebeden die generaties met elkaar verbonden.De synagoge verdween al vóór de Tweede Wereldoorlog, toen de gemeenschap zich samenvoegde met die van Hoogezand.
Dat maakt deze plek anders dan sommige andere herinneringsplaatsen.
Maar ook hier voelen we vandaag hoe kwetsbaar herinnering kan zijn.
Want als gebouwen verdwijnen, verdwijnen vaak langzaam ook de verhalen.
En precies daarom is deze steen belangrijk.
Niet omdat hij het verleden terugbrengt.
Dat kan niet.Maar omdat hij opnieuw zichtbaar maakt dat hier Joods leven was.
Dat deze plek onderdeel was van een bredere geschiedenis van Joodse gemeenschappen in Groningen.Een geschiedenis die niet alleen gaat over oorlog en verlies,
maar ook over gewone levens.
Over mensen die hier woonden, werkten en hun geloof vormgaven.Juist die gewone aanwezigheid raakt gemakkelijk vergeten.
En daarom doet herdenken ertoe.
Niet alleen uit respect voor het verleden,
maar ook omdat het ons helpt zorgvuldig te blijven kijken naar elkaar in het heden.Ik ben dankbaar voor iedereen die zich heeft ingezet om deze herinneringsplek mogelijk te maken.
De Historische Kring Menterwolde, de Joodse gemeenschap en alle betrokken inwoners en organisaties die deze geschiedenis levend houden.Dankzij die inzet krijgt deze plek opnieuw betekenis.
Zodat mensen die hier later langskomen misschien even stilstaan en zich afvragen:
Wat stond hier eigenlijk?
En dat het antwoord dan blijft klinken:
Hier stond een synagoge.
Hier was een Joodse gemeenschap thuis.Dank u wel.
-
(Verhaal bij de onthulling van de herinneringssteen van de synagoge te Uiterburen.)
Tussen twee prachtige en waardevolle speeches, wil ik vertellen over een klein stukje geschiedenis. De synagoge in al zijn eenvoud, maar zeer gewild. Uit eigen schaarse middelen opgebouwd en eigenlijk het fundamentje waarom we hier nu staan.
Vanaf ongeveer 1760 kwamen in Noord- en Zuidbroek geleidelijk aan meer joden wonen. Zij waren aangewezen op de synagoge te Hoogezand. Lopend een tocht van twee uur heen en twee uur terug. Dat gebeurde alleen op bijzondere dagen. Van joods onderricht aan de kinderen was helemaal geen sprake. Toch moesten de joden van onze dorpen de volle kerkbelasting aan deze Hoogezands joodse gemeenschap betalen. En dat gaf wrevel.
In 1887 woonden er in beide dorpen 87 joden over 15 gezinnen. Genoeg om een eigen minjan te kunnen houden, waar 10 geloofsvolwassen mannen voor nodig zijn. Het idee werd opgevat om een zelfstandige kille te vormen. Een zelfstandige kehilla met synagoge, kerkelijk bad, schoollokaal en begraafplaats.
Daarvoor moest geld komen.
Door de ooit ingestelde regels voor joodse mensen was er voor hen weinig beroepskeuze. De joden in Noord- en Zuidbroek waren slager en venter, handelaren in oude lompen en metalen of herstelden landbouwzakken. Er werd veel ondernomen om de synagoge te kunnen realiseren. Waaronder collectes, ook buiten eigen gemeente. De gemeente Zuidbroek werd gevraagd of zij grond wilden geven. Het was niet zo’n gekke vraag, want het stadsbestuur van Groningen deed dit wel eens in de veenkoloniën. Maar Zuidbroek deed dit niet. Direct na de afwijzing kochten de broers Simon en Mozes Wolf grond in het Veen voor een begraafplaats. De vergunning en het gereedmaken van deze plek zou nog vier jaar duren. Want eerst werd alle energie gegeven aan de synagoge. Een jaar na de afwijzing, 1883, kochten Izaäk van der Laan en Mozes Wolf een stuk grond aan de Uiterburen in eeuwig durende erfpacht. De helft van een kadastraal nummer. Voor f 300,--. In dezelfde week werd de bouw aanbesteed. Een jaar later waren synagoge en chazzenhuis klaar. Omdat men nog geen officiële Israëlitische gemeente was, werd het chazzenhuis eerst verhuurd. Aan Nathan Hausmann, die hier een paar jaar slager was. Later woonde de bode van de kille hier. De leraren, chazzen, waren meest vrijgezel en woonden in bij Mozes Wolf.
Het Chazzenhuis stond voor aan de weg, Uiterburen 54. Vrijstaand erachter stond een kleine synagoge met bad, van vijf bij tien meter, met drie glas in lood ramen in beide lange muren. Het interieur had de kleuren rood, geel en goud. In hetzelfde jaar werd de joodse gemeente officieel erkend als Nederlands-Israëlitische gemeente Noord- en Zuidbroek. Voor het onderhoud van synagoge en joodse gemeente werd een hypotheek afgesloten.
Er moest een huishoudelijk reglement komen, waar men in 1889 pas mee bezig ging. Want voor de Broekster kooplieden en slagers viel dat niet mee. Ze kregen het eerste ingeleverde reglement terug met bijna alleen maar doorhalingen en strepen. Een jaar later werd het reglement oogluikend goedgekeurd.
De joodse inwoners van Midwolda en Nieuwolda behoorden In 1900 ook tot de kehilla Noord- en Zuidbroek. Maar over het algemeen was het onderhoud, de diensten, de leraar en het betalen van de aflossing met rente een grote zorgenbron. In 1912 waren van de 57 leden, 46 on- of minvermogend. Er werden collectes aangevraagd en in 1902 werd een verloting gehouden ten gunste van onderhoud aan de synagoge. De joodse vrouwen hebben veel handwerk verricht om prijsjes voor elkaar te krijgen. In 1913 kon het bad niet worden gerepareerd waardoor ze het niet meer konden gebruiken. Ook het aantal joodse inwoners werd minder. In het kerkjaar 1920-1921 kon het geld niet meer worden opgebracht. In 1922 werd de zelfstandige gemeente Noord- en Zuidbroek opgeheven. De Joodse inwoners behoorden weer bij Hoogezand. De synagoge, chazzenhuis, begraafplaats en een arbeiderswoning werden ook overgedragen aan deze synagoge.
Het betekende niet dat hier niets meer gebeurde. Niet meer met regelmaat, maar af en toe werd hier nog een dienst gehouden.
Niet lang na 1934 moeten synagoge en chazzenhuis afgebroken zijn. Het arbeidershuisje werd na de oorlog verkocht aan enkele joodse Hoogezandsters, die de oorlog hadden overleefd.
Van de kehilla Noord- en Zuidbroek is niemand teruggekomen.
-
Onthulling monument Synagoge Uiterbuuren-Zuidbroek
Geachte burgemeester, geachte aanwezigen,
Dank voor de woorden van u burgemeester en ook van u mevrouw Blaauw.
U heeft al enkele redenen gehoord waarom we deze plek nu in ons straatbeeld markeren. Ik voeg daar graag enkele gedachten aan toe. Vandaag staan wij hier op een ogenschijnlijk onopvallende plaats. Hier stond voor enkele decennia in de 19e en 20e eeuw een synagoge. Een huis van gebed, van ontmoeting, van samenkomst, voor de kleine Joodse gemeenschap van deze dorpen. In het jaar 1900 telde onze provincie 20 synagogen. Vandaag de dag zijn er slechts enkele bewaard gebleven en is er maar één daadwerkelijk in gebruik. Wat ooit gewoon was, is bijzonder geworden.
Met de onthulling van deze gedenksteen geven wij een naam, een verhaal en een herinnering terug aan deze plek. De Franse historicus Pierre Nora noemt het ‘Lieux de Memoire’, plaatsen of objecten die een drager zijn van onze geschiedenis en die in dit geval ons lokale geheugen vormen. Dat is van grote waarde. Want plaatsen van herinnering helpen ons om stil te staan bij de geschiedenis die zich niet alleen in grote steden of verre landen heeft afgespeeld, maar juist ook hier — in onze eigen dorpen, onze eigen straten, onze eigen samenleving.
Ik vermoed dat de meeste inwoners van Zuidbroek en Noordbroek weten dat er zoiets bestaat als een Joodse gemeenschap. Dat het ruim honderd jaar geleden om je collega, je klasgenoot of je buurman ging, lijkt onwaarschijnlijk. Immers, wat herinnert, anders dan een verstilde begraafplaats aan de Joden van deze dorpen? Voor vermoorde Joden zijn stolpersteine geplaatst. Door deze plek te markeren, tonen we dat we ons bewustzijn van het feit dat ook hier voor enkele decennia mensen samenkwamen als leden van de kille Zuidbroek en Noordbroek. Ook hier.
De geschiedenis leert ons dat minderheden steeds opnieuw kwetsbaar kunnen worden gemaakt. Ja, zelfs de herinnering aan minderheden is kwetsbaar. Uitsluiting begint vaak klein: met vooroordelen, met onverschilligheid, met woorden die normaal lijken te worden.
Iedere generatie staat opnieuw voor de opdracht om te bepalen hoe wij met elkaar omgaan en hoe wij onze geschiedenis onder ogen komen. De manier waarop een samenleving haar minderheden behandelt, zegt uiteindelijk alles over de kracht van die samenleving zelf.
Juist daarom zijn plekken zoals deze belangrijk. Niet om verdeeldheid te creëren, maar om bewustwording te versterken.
Onderwijs speelt daarin een crucirol. En ik wil me bij deze niet beperken tot jongeren, maar ook een oproep doen aan u, volwassenen. Deze gedenksteen helpt ons het bewustzijn te versterken dat ook hier een Joodse gemeenschap was. En hier in eerste instantie niet in de context van oorlog en vervolging, maar juist als levend onderdeel van onze vroegere samenleving. Wie zich verdiept in de geschiedenis van de Joden hier in Midden-Groningen, leert ook over het samenleven op het Groninger platteland. En in het geval van Zuidbroek en Noordbroek, ook over de armoede van de Joden hier. Neem kennis van deze geschiedenis en van de cultuur, door de plaatsen van herinnering te bevragen. Dat kan door educatieprogramma’s te verzorgen, door musea en cultuurcentra te bezoeken waar u in aanraking komt met de Joodse geschiedenis en de cultuur. U zult ontdekken dat er veel meer raakvlakken dan verschillen zijn.
Moge deze plek ons allen uitnodigen om stil te staan. Om vragen te stellen. Om verhalen door te geven.
Dank u wel.
-
ONTHULLING GEDENKSTENEN
SYNAGOGEN HOOGEZAND / NOORD- EN ZUIDBROEKGeachte mevrouw de Burgemeester, Bestuursleden en alle aanwezigen, vandaag
staan wij stil bij twee bijzondere plaatsen waaraan op het eerste gezicht niets
opvalt, maar die toch een gedenkwaardige geschiedenis kennen, namelijk die van de Joodse gemeenschappen in Hoogezand en Noord- en Zuidbroek.In Hoogezand ontwikkelde zich in de loop van de tijd een bloeiende Joodse
gemeenschap. Al in de 18e eeuw waren er Joodse families te vinden en in 1854
werd op deze plek de synagoge gebouwd, een door de Nederlandse staat erkend
en volwaardig religieus centrum met daarnaast een school en een woning voor de onderwijzer.In Noord- en Zuidbroek vestigde zich een aantal Joden rond het midden van de
18e eeuw die hier hun bestaan als slagers, veehandelaren en kooplieden hebben
opgebouwd. Ook deze kleine groep Joodse families kon tot een hechte
gemeenschap uitgroeien die eveneens behoefte had aan een synagoge, een huis
van samenkomst voor het lezen van de Wetsrol of Tora, het uitspreken van
gebedsteksten en het zingen van psalmen en gezangen maar vooral voor het samen vieren van de Sabbat en de Joodse feestdagen zoals Nieuwjaar, Grote Verzoendag, Loofhuttenfeest en Pasen.Een synagoge is er ook voor het dagelijks gebed, waarvoor elke vroege ochtend
de mannen samenkomen om het ochtendritueel met het aanleggen van de
gebedsriemen uit te voeren. Dat was in deze omgeving erg onpraktisch zoals dat
op zovele plaatsen en in zovele tijden ondoenlijk was.De leer en regelgeving van de Rabbijnen bood al in vroege tijden de mogelijkheid
om individueel aan religieuze plichten te voldoen, maar namen ook een wijs
besluit. Voor het voorlezen van de Bijbelteksten en het uitspreken van een
belangrijk gemeenschappelijk gebed dat Kaddiesj wordt genoemd, moesten er
tien manlijke personen bijeenzijn. Dit getal moest worden gerealiseerd en het
Hebreeuwse woord voor getal is minjan, in de taal van de Joodse Groningers werd dat minje en had men het over minje maken, het getal volmaken totdat er in ieder geval tien mannen zijn.Het werkwoord ‘maken’ werd en wordt ook toegepast op de synagoge. De
synagoge is niet per se het gebouw maar betekent letterlijk samenkomst, dus kun je ook een ‘samenkomst maken’, wederom in de taal van de Joodse Groningers
‘sjoel maken’, waarbij het woord ‘sjoel’ als afleiding van het Duitse woord
‘Schule’ werd gebruikt.In vooroorlogse documenten sprak men ook vaak van een ‘Jodenschool’ en dat is geen gekke aanduiding want meer dan om de diensten ging het om het onderwijs. Toen beide synagogen naast elkaar bestonden, waren er perioden dat beide
gemeenschappen eigen godsdienstonderwijzers hadden. De opperrabbijn van
Groningen aan het begin van de 20e eeuw inspecteerde de lessen aan kinderen en stelde vast dat zij Hebreeuws lazen met een zwaar Gronings accent wat soms tot onvoldoendes leidde.Meer oneerbiedig en soms ook hatelijk was het gebruik van het woord ‘Jodenkerk’ waarmee een plaats van wanorde en lawaai werd bedoeld. Wie zich de orde en relatieve stilte van een protestantse kerk voorstelt, vindt elke andere religieuze dienst al gauw wanordelijk en lawaaierig. De plaatselijke Joodse bestuurders die parnassijnen werden genoemd waren zich hiervan bewust en probeerden hierin verandering aan te brengen.
Maar in deze streken bleef de invoering van een strak decorum steken. Het ging
er hier veel vriendelijker en gemoedelijker aan toe dan over de grens in Duitsland
waar synagogen soms een kerkelijke dienstvorm accepteerden tot en met het
gebruik van een orgel aan toe. In de synagoge van Hoogezand-Sappemeer en in
die van Noord- en Zuidbroek zou dat nooit gebeuren en was maar één keer per
jaar een muzikaal instrument toegestaan: de ramshoorn die als aankondiging van een nieuw jaar werd geblazen in duidelijke verwijzing naar het Bijbelhoofdstuk
Genesis 22, waar Abraham in plaats van zijn geliefde zoon Izak een ram ten offer
bracht. Met dit offer was Izak gered en kon hij zijn leven voortzetten als één van
de aartsvaders van het Joodse volk.Rond 1900 liep het aantal Joden in Hoogezand e.o. als ook Zuidbroek e.o. op tot
enkele honderden, wat betekent dat Joods leven niet iets marginaals was, maar
naar verhouding met de overige bevolking een integraal onderdeel van de
samenleving vormde.Vanaf het begin van de 20e eeuw nam het aantal Joodse inwoners af. Economische veranderingen, migratie en modernisering zorgden ervoor dat kleinere
gemeenschappen het moeilijk kregen. In 1922 werd de zelfstandige Joodse
gemeente van Zuidbroek opgeheven en samengevoegd met Hoogezand.
Uiteindelijk verdwenen ook de gebouwen zelf. De synagoge in Zuidbroek werd
in 1934 afgebroken. De synagoge in Hoogezand werd na de Tweede Wereldoorlog verkocht en later gesloopt.Het is in de oorlogstijd dat aan Joods leven hier op wrede wijze een einde is
gemaakt. Zeer velen verloren hun leven, zeer weinigen overleefden.
De ‘struikelstenen’ of Stolpersteine die hier in relatief ruime mate zijn gelegd,
brengen de geschiedenis letterlijk terug naar straatniveau. Ze liggen niet in een
museum, maar precies daar waar mensen woonden, leefden en deel uitmaakten
van de gemeenschap. Hun synagogen waren niet zomaar gebouwen maar centrale plaatsen van Joods leven.Door de vandaag te onthullen gedenkstenen krijgen deze verdwenen plekken
opnieuw betekenis. We brengen de gebouwen niet terug, maar wel de verhalen.
Misschien is dat nog wel belangrijker, want geschiedenis leeft alleen als wij haar
blijven vertellen.De gedenkstenen die vandaag worden onthuld, zijn klein van formaat maar hun
betekenis is groot, want ze wijzen ons op de voortdurende verantwoordelijkheid
om te blijven herinneren. Het valt zeer te prijzen dat Hoogezand als ook Noord-
en Zuidbroek deze verantwoordelijkheid nemen.Wout van Bekkum
-
Toespraak tijdens onthulling herinneringssteen aan de Joodse synagoge Hoogezand-Sappemeer,
dd. 29 mei ’26, ds. Anne-Maaike Pathuis – NGK de ArkGeachte burgemeester, geachte aanwezigen,
Van tevoren spraken we af dat we in deze bijeenkomst vooral zouden stilstaan bij de synagoge die hier ooit stond, en dus niet specifiek bij de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog.
Maar we kunnen er ook weer niet omheen – de reden dat de synagoge na de oorlog werd verkocht aan de vrijgemaakten, is natuurlijk dat de meeste Joodse inwoners van Hoogezand en Sappemeer
niet meer terugkeerden na de oorlog.
In de aanloop naar deze dag las ik daarom wat over de Jodenvervolging in Hoogezand en Sappemeer.
Wat me raakte, was dat de laatste groep Joodse inwoners die op 27 november 1942 werd opgeroepen om weggevoerd te worden, zich in deze synagoge moest verzamelen.
Op de plek waar ze jarenlang waren samengekomen, om te bidden en de Torah te bestuderen, om elkaar als volks- en geloofsgenoten te ontmoeten – uitgerekend op die plek moesten ze een laatste nacht in angst doorbrengen, zonder te weten waar ze heen gevoerd zouden worden, en of ze ooit weer zouden terugkeren.
Hun huis van gebed was die nacht geen huis om in te schuilen.
Het contrast met de vrijheid waarmee wij als christelijke gemeente elke zondag en doordeweeks mogen samenkomen in dit gebouw, voelt groot. Het besef dat op dit stukje grond verwante gelovigen samenkwamen, trouw, om de Naam groot te maken en te loven, om in eerbied, dankbaarheid en in gemeenschap te leven – dat spoort mij en ook ons als gemeente aan om – op onze eigen manier – in die voetsporen te treden. Om dankbaar te zijn voor het leven, om dankbaar te zijn voor de vrijheid, maar ook voor de geschriften die we delen met Joodse gelovigen.
Al in de eerste week van mijn studie theologie, leerde ik om er bewust van te zijn dat de term ‘Oude Testament’ soms neerbuigend wordt gebruikt, alsof het ‘Nieuwe Testament’ ervoor in de plaats is gekomen en dus beter is. Sommige wetenschappers gebruiken daarom de term ‘Hebreeuwse Bijbel’.
Een paar maanden later leerde ik bij het vak ‘Nieuwe Testament’ om er ook bij het bestuderen van de evangeliën en brieven bewust van te zijn, dat deze geschriften door Joodse mensen werden geschreven.
Als christelijke gelovigen zijn we schatplichtig aan de Joodse geschriften en tradities. En zo zingen we hier bijvoorbeeld nog steeds de psalmen, die al eeuwenlang in synagogen over de hele wereld klinken.
De synagoge staat hier niet meer, maar als christelijke gemeente in Hoogezand weten we ons geroepen, zo geloof ik, om – juist ook in deze tijd – de verbondenheid met verwante gelovigen te zoeken.
Op de dag af 80 jaar na die noodlottige dag en nacht, dat Joodse inwoners zich hier in de synagoge moesten verzamelen – werd ik in november 2022 bevestigd als predikant in deze gemeente.
Ik mag de gemeente voorgaan, en zo gaat het lied door, het bestuderen van en leven vanuit de geschriften gaat door. Wij voegen onze gebeden bij de gebeden die hier ooit in de synagoge klonken –
in de hoop dat de hele wereld ooit weer een huis om in te schuilen wordt, voor ieder die eerlijk en oprecht wil leven.
Dank jullie wel.